Gronings Landmark plat?

door: Karlijn Toebast, Mark Sekuur, Ricard Hernandez, Onix

Begin 2008 kreeg Groningen te horen dat de Suikerfabriek van Stad, ooit de grootste suikerstad van Europa, moest sluiten. Vanwege Europese Landbouwsubsidies mocht ‘de plant’ in Groningen geen suiker meer produceren. De fabriek sloot haar poorten. Nu, halverwege 2009, wordt het de Groningers langzaam maar zeker duidelijk dat de fabriek niet alleen gesloten blijft maar dat medio 2010 alle gebouwen, inclusief alle fabrieksmachines, ontmanteld moeten zijn.

De Suikerfabriek is een van de weinige karakteristieke voorbeelden van industriële architectuur in Groningen. De fabriek kent fysiek een aantal bijzondere elementen; grote betonnen silo’s, lange schoorstenen, enkele koolovens en de markante gevel van het entrepotgebouw. Deze bepalen mede de skyline van Groningen. Als je op het terrein en in de fabriek rondloopt ervaar je de industriële geschiedenis, het arbeidersleven, het mysterieuze en betoverende van deze prachtige plek (zie film).
Directeur Van Doormaal ontwikkelde aan het begin van de 20e eeuw (1917) een zeer goed geoutilleerde fabriek op zo’n 20 hectare van het totale grondgebied, dat behoorde tot de grootste suikerfabriek van Nederland, zelfs van Europa. De architect W.K. van Oort uit Groningen ontwierp de gebouwen, de machines werden geleverd door Röhrig & König uit Maagdenburg.

Volgens ons stelt de subsidieregeling van de EU strenge en wellicht onredelijke eisen, namelijk het definitief demonteren van álle Suikerunie-gebouwen, als voorwaarde voor landbouwsubsidie. Een fantastisch gebouw en omliggend gebied dreigen zo verloren te gaan. Het stoppen van de machines bleek in 2008 onoverkomelijk. Zal de totale ontmanteling in 2010 ook een feit zijn? De rigoureuze sloop is al begonnen.

Op 19 juni 2009 kondigden de Gemeente Groningen en de directie van de Suikerunie aan dat zij een intentieovereenkomst gesloten hebben over de aankoop van het terrein (120 hectare) door de gemeente. Wij architecten zijn blij met deze intentie. De achterliggende gedachte is namelijk dat de gemeente dit stuk stad, 20% groter dan de binnenstad van Groningen, gaat gebruiken voor toekomstige woningbouwontwikkelingen. De grond komt zo niet in handen van verschillende ontwikkelaars en wordt de versnippering van deze laatste grootschalige onroerend goedontwikkeling binnen de stadsgrenzen voorkomen. Daarnaast biedt de aankoop kansen voor het behoud van kenmerkende elementen. In tegenstelling tot de steriliteit van menig vinexwijk, heeft Groningen hier een gebied met potentie voor een geheel eigen karakter!

Op dit moment doen de gemeente en de Suiker Unie onderzoek naar de economische waarde van het gebied en naar mogelijkheden voor ontwikkeling. Twee andere belangrijke waarden, die van de cultuurhistorie en het industriële erfgoed, lijken echter van ondergeschikt belang. Terwijl deze juist nú hoog op de agenda moeten staan; medio 2010 moet, om in aanmerking te komen voor subsidie, alles immers plat liggen. Wij pleiten dan ook voor snel en grondig onderzoek naar mogelijkheden voor het behoud van (delen van) de Suikerfabriek. Door bijvoorbeeld de grote theaterzaal programmatisch een tweede leven te gunnen of de karakteristieke bakstenen gevel van het entrepotgebouw te hergebruiken als drager van een nieuw gebouw. Duurzaamheid staat hoog op de (inter)nationale agenda en bovendien op die van Groningen [http://duurzaamstestad.groningen.nl/].

Voorbeelden van hergebruik zijn de Tate Modern Gallery in Londen en uiteraard de Van Nellefabriek in Rotterdam. Beide gebouwen hadden een industriële functie, maar zijn ondertussen omgebouwd tot respectievelijk museum en kantoorgebouw. Tegelijkertijd heeft het omliggende gebied een metamorfose ondergaan. Daarmee zijn het voorbeelden van duurzame, architectonische en stedenbouwkundige ontwikkelingen.

Erfgoed wordt pas collectief als meerdere mensen hetzelfde als belangwekkend ervaren. Volgens Kevin Lynch in zijn boek The image of the city zijn er vijf elementen die gezien kunnen worden als dragers van een stadsbeeld. Een daarvan is het ‘landmark’. De Suikerfabriek met haar schoorstenen en silo’s geldt zeker als een landmark. Voor Stadjers zijn de schoorsteen en silo’s een referentiepunt in hun stad.
Twaalf jaar geleden heeft de stad ook al de vijf markante schoorsteenpijpen van de Hunze electriciteitscentrale verloren, tot ergernis van vele burgers. Nog steeds spreken mensen met weemoed over de vief piep’n, wat aantoont hoe belangrijk een skyline voor het collectieve geheugen van een stad kan zijn.

Naast het fysieke gebouw van de Suikerfabriek speelt ook de emotie en de nostalgie van de suikerverwerking een grote rol. Ieder jaar startte in september de campagne, die veertien weken duurde. Dit jaar zal het alweer het tweede jaar zijn dat de Stadjers de zoete, kruidige, wat weeïge geur van de verwerkte suikerbieten moeten missen, en niet te vergeten de prachtige rookwolken en de vrachtwagens vol bieten die vanaf het omringende land komen aanrijden… Aan dit feit valt helaas niets meer te doen, wel is er nog steeds de mogelijkheid tot fysiek behoud van delen van de Suikerfabriek.

Zal Groningen vanaf 2010 een van ‘stads’ markantste complexen moeten missen? Laat het niet zo ver komen. Onix roept burgers, medearchitecten en overige gelijkgestemden op hun stem te laten horen!

Zie ook het Requiem voor de Suikerfabriek

juli 3, 2009
By on 10:59
Een stugge provincieplaats

’GRONINGEN HEEFT ’T’ stond in september 1996 op de cover van HP/De Tijd. De ondertitel luidde: Hoe een stugge provincieplaats de leukste stad van Nederland werd. De oorzaak van deze gedaanteverwisseling was de manifestatie A Star is Born die dat jaar plaatsvond. Met de Diepenring als verbindend element werden bouwwerken op en aan het water ontworpen. Eerder al, in 1990, had een manifestatie met de naam What a Wonderful World vijf bijzondere bouwwerken opgeleverd. En in 2001 volgde manifestatie nummer 3: Blue Moon. Weer in de combinatie van architectuur en cultuur, maar nu werd een verbinding gelegd tussen het centrum van de stad en het te ontwikkelen terrein van het Europapark.

Opgeteld komen we zo op drie manifestaties en maar liefst veertien paviljoens en gebouwtjes die in elf jaar tijd zijn gebouwd. Maar: waar zijn ze gebleven? Wat is er gebeurd met de paviljoens van de illustere Peter Eiseman, Zaha Hadid, Coop Himmelb(l)au, Rem Koolhaas en Bernard Tschumi? En wat met het werk van Dora Groen en Fumihiko Maki, van Bruce McLean en Alsop & Störmer Architects, van Erwin Olaf en OMA en van Manuel de Solà Morales? En hoe staat het met de gebouwen van Toyo Ito, Xaveer de Geyter, Foreign Office Architect, Tony Fretton en Space Group?

Het is droevig gesteld met een groot aantal van deze ooit met zoveel trots geïnitieerde bouwwerken. Het paviljoen van Zaha Hadid is inmiddels een schroothoop op een industrieterrein. Dat van Coop Himmelb(l)au is een fremdkörper op de dijk in Delfzijl en de ’Peter Eiseman’ werd helemaal gesloopt. Het podium van De Solà Morales is onaangetast, maar de bijbehorende bank moest junkproof worden gemaakt: met kippengaas. Het mobiele podium van McLean en Alsop is in onbruik geraakt en het drijvende paviljoen van Maki ligt achter de Euroborg te wachten op betere tijden.

De vraag dringt zich op of Groningen niet een enorme kans heeft gemist. Want: ’stad van paviljoens en bijzondere gebouwtjes’ zijn we niet geworden, veertien bijzondere gebouwen en paviljoens ten spijt. De creaties van een indrukwekkende rij ontwerpers zijn niet uitgebuit in een beleid: tijdens en na de manifestaties is alleen gefocust op het afleveren van een product, op het organiseren van een tijdelijke gebeurtenis.

Zonde! Want de objecten hebben daardoor niet of nauwelijks een kans gekregen om een permanente status te verwerven. Toegegeven: niet met alle veertien paviljoens en bouwwerken is het zo sneu gesteld. Toyo Ito’s creatie in de Uurwerkersgang bijvoorbeeld stond lang leeg, maar is nu door de universiteit in gebruik genomen. Het bouwwerk van Tony Fretton in de Lutkenieuwstraat wordt door een particulier gebruikt, en het pissoir van Erwin Olaf doet het nog steeds uitstekend. Ook het bouwwerk van Foreign Office Architects aan de Grote Gang wordt gebruikt; daarin is een restaurant gevestigd. En gelukkig is recent ook de bushalte van Rem Koolhaas als openbare video-zuil opnieuw in gebruik genomen.

Ook het paviljoen van Bernard Tschumi aan het Hereplein is als een soort zwerfkei blijven bestaan. Niet opgenomen in een beleid noch op de nominatie om te worden gesloopt, viel het paviljoen in 1990 tussen wal en schip. In 1994 deed Stichting De School het voorstel er projecten van kunstenaars in te organiseren. Daarvoor stelde de dienst OCSW een bescheiden financiële steun ter beschikking. In combinatie met bijdragen van de provincie en de Mondriaan Stichting lukte het projecten te blijven realiseren.

De School, die inmiddels Stichting Tschumipaviljoen heet, heeft inmiddels meer dan vijftig projecten gerealiseerd. Midden in de openbare ruimte van Groningen kunnen in de creatie van een wereldberoemde architect tijdelijke projecten worden gerealiseerd met een groot publieksbereik.

Met zijn paviljoen gaat Bernard Tschumi in tegen klassieke vormen en vastgeroeste regels. Daarmee heeft hij niet een antwoord, maar een vraag geformuleerd, niet een oplossing, maar een probleem opgeworpen. Zo daagt hij kunstenaars, planners en beleidsmakers uit om te reageren. Om passende projecten te realiseren en daar met gericht en flexibel beleid op te anticiperen.

In contrast daarmee vertoont Groningen de neiging om zich bij het investeren in kunst en cultuur te oriënteren op een klein aantal prestigeobjecten. Dit kan leiden tot een verschraling, die niet bevordelijk is voor de culturele sfeer in een stad die mede wordt bepaald door dingen die zich dicht bij de straat afspelen. Juist in een tijd dat steden steeds meer op elkaar gaan lijken, is toch onderscheid nodig? Afwijkende activiteiten in de openbare ruimte, waarvan het onderscheidend vermogen ten opzichte van andere steden bindend en motiverend werkt, geven kleur aan een stad! Het paviljoen van Bernard Tschumi, de busstop van Koolhaas, het zijn zwerfkeien waarvoor Groningen zich niet behoort te schamen, maar zich mee zou moeten profileren!

Helaas wil de politiek altijd bouwen en stenen achterlaten, maar is zij minder begaan met cultuurbeleid. Groningen heeft net de stenen besteld voor de bouw van een wel heel groot paviljoen. Wordt het ook een zwerfkei, overgelaten aan z’n lot? Een traditioneel, centraal gesitueerde moloch, of een bloem in stugge klei, die niet alleen neemt, maar ook geeft, vergelijkbaar met ’Museu d’Art Contemporani de Barcelona’ (MACBA) dat andere stedelijke initiatieven betrekt bij haar programma?

Vooralsnog blijft het afwachten, maar van het lot van de paviljoens gaat daarbij alvast een waarschuwing uit.

Marinus de Vries
www.tschumipaviljoen.org

juli 3, 2007
By on 09:05
Wie brandt zijn vingers aan het Groninger Forum?

Stel, je bent museumdirecteur en hebt een collectie over. Iets met scherven, speerpunten en andere oude rotzooi die in en rond de stad Groningen ooit eens uit de grond is getrokken. En stel dat je eigenlijk iets moet met die historische collectie maar daar inmiddels geen ruimte meer voor hebt.
En stel je bent een bibliotheek, gehuisvest in een prachtig pand midden in de binnenstad dat zelfs speciaal voor je werd gebouwd. En stel dat je als bibliotheek een ambitie hebt. Iets met informatietechnologie en nieuwe media, want boeken alleen, dat is tegenwoordig natuurlijk onvoldoende. Wat is er dan leuker om samen iets nieuws te bedenken? Een groot gebouw midden in de stad, een dynamisch centrum voor informatie, ontmoeting, verdieping, weerwoord, educatie, debat, geschiedenis, reflectie en actualiteit. Of, waar het in het kort op neer komt: een centrum voor (van)alles.
Dan heb je zo’n idee. Je praat wat hier en daar. Enthousiasmeert, verleidt, houdt eens een openbare opiniepeiling met vijf ontwerpers van naam en faam en voor je het weet gaan mensen in je concept geloven. Het wordt groter. De gemeente adopteert het als een geweldige trekker voor de binnenstad; de culturele redding voor de Grote Markt. Er is alleen een probleem. Voor zo’n ambitie is meer nodig dan alleen een bibliotheek en een historische collectie. Daar moet meer bij. Alles moet erin: een filmhuis, een debatcentrum, de archieven, misschien zelfs nóg een museum…., want die vierkante meters moeten natuurlijk wel gevuld worden. En liefst met veel moderne media en informatietechnologie erbij. Want dat is de heilige graal van de 21ste eeuw.
U hoeft als lezer geen groot licht te zijn om in de bovenstaande, misschien wat karikaturale schets, het Groninger Forum te herkennen; en initiatief van het Groninger Museum en de Openbare Bibliotheek waarbij zich inmiddels ook de Groninger Archieven en Filmcentrum Images hebben aangesloten. In 2011 moet het er staan: een met leisteen bekleed gebouw naar ontwerp van NL Architects. Prachtig, zou je zeggen. Een aanwinst voor de stad. Maar helaas is de waarheid anders. Want hoe verleidelijk het forum is gebracht en hoe mooi het gekozen gebouw ook oogt vanaf de maquettes: is het nu eigenlijk wel echt een goed idee? Snijdt het wel hout? Is er wel voldoende nagedacht over de inhoud? Is het niet vooral een ambitie van vijftigers die denken dat ze de klok van de informatietechnologie hebben horen luiden?
Wie goed naar het huidige programma voor het Groninger Forum kijkt, bemerkt al snel dat grote delen van het gebouw nog niet zijn ingevuld. Wonderlijk…. want wie zet er nou een gebouw neer waarvan de invulling nog niet eens voor de helft zeker is? Geen ontwikkelaar zou z’n vingers daar aan willen branden.
De initiatiefnemers zijn dan ook naarstig op zoek naar andere partijen om over een aantal jaren hun intrek te nemen in het Forum. Iedereen wordt uitgenodigd, genoemd en haast wanhopig opgeroepen om ideeën aan te leveren. Maar wie wil er z’n vingers branden aan het Forum? Welke bestaande instelling wil opgaan in het grotere geheel en daarmee de z’n eigen gezicht verliezen? Waarom zou je als instelling met een eigen doel en opvatting in godsnaam aan willen haken op thema’s die van boven worden opgelegd – want dat is de bedoeling…. Een thematentoonstelling over de Olympische Spelen rond Londen 2012 betekent bijvoorbeeld dat van Images wordt verwacht dat zij films over de Olympische Spelen gaan draaien. De Groninger Archieven maken dan een tentoonstelling met foto’s van Groninger sporters. De bibliotheek zet boeken over sport in de etalage en debatcentrum DwarsDiep organiseert een debat over sport en gezondheid. Lekker Olympisch allemaal. Maar willen we dat en wordt het culturele klimaat er rijker van? Of nivelleert dit juist het aanbod?
Het laatste ligt waarschijnlijk dichter bij de werkelijkheid van het ‘Forumideaal’.
Maar er zijn meer valkuilen. Zo is het zeer wel denkbaar dat met het oog op het rond krijgen van de exploitatie bestaande (gesubsidieerde) instellingen met zachte dwang in de richting van het forum worden gedirigeerd. Want anders dreigt leegstand… en dat is natuurlijk funest voor ‘een goed idee’.
En er is er nog iets vreemds aan de hand met het Forum. Al die ambities en plannen… hebben we daar eigenlijk wel een gebouw voor nodig? Kan het niet nu al? Alle organisaties zijn er. Vele daarvan zijn prima gehuisvest, staan open voor samenwerking, kennen elkaar en weten elkaar te vinden. Daar is geen met leisteen afgewerkte piramide voor nodig. In die zin zou het best zo kunnen zijn dat een succesvolle samenwerking tussen de huidige partners – het Groninger Museum, de Openbare Bibliotheek, Images en de Groninger Archieven ontplooien namelijk al gezamenlijke activiteiten – het ultieme bewijs kan zijn dat een gebouw helemaal niet nodig is!
Misschien is het juist daarom verstandig om voor de eerste paal is geslagen eens goed te gaan kijken of het allemaal wel kan en of het programma er überhaupt wel is. Dat had natuurlijk al veel eerder gemoeten, maar helaas. Gelukkig biedt juist hier de ‘informatietechnologie’ in de vorm van Second Life een oplossing. Wat als we het Forum nu eens virtueel zouden kraken, niet in de werkelijkheid dus, maar in het ultrahippe Second Life? Daar kunnen we het hele gebouw al realiseren. We kunnen events van de grond trekken. We kunnen instellingen en bewoners van de stad een podium bieden zonder dat er miljoenen aan gemeenschapsgeld uitgetrokken wordt voor dure nieuwbouw met een groot risico op leegstand. Prettige bijkomstigheid: het dwingt de ambitieuze vijftigers tot contact met een jongere generatie die van het Forum idee geen droom maar werkelijkheid kan maken, virtueel of niet.

Lykle de Vries is zelfstandig projectregisseur en voormalig voorzitter van Nieuwe Garde, netwerk voor jonge creatieven. Nieuwe Garde levert middels projecten als 8 Uur Overwerken voor het Goede Doel, 60 Minute Magazine en Restruimte een bijdrage aan het klimaat voor jonge creatieven in Groningen en de rest van Nederland. Op www.forumgroningen.nl is Nieuwe Garde begonnen met het ‘kraken’ van het Groninger Forum.

maart 21, 2007
By on 19:46
Architectonisch Analfabetisme of het grote gebrek aan schrijvende architecten

Tijdens mijn studie Architectuurgeschiedenis liep ik stage bij het Nederlands Architectuur Instituut (NAi) in Rotterdam. Ik kreeg de opdracht om van enkele Nederlandse architecten een biografie en oeuvrelijst samen te stellen. Het NAi bezit namelijk een indrukwekkende hoeveelheid architectenarchieven. De meeste van reeds overleden architecten natuurlijk.
Het NAi had destijds net twee maanden haar intrek genomen in een nieuw, speciaal voor het instituut gerealiseerd gebouw op het land van Hoboken, een ontwerp van Jo Coenen. In dat spiksplinternieuwe NAi ontdekte ik al vrij snel, net als mijn vijf stageteamgenoten, dat een groot deel van mijn opdracht eigenlijk bestond uit het ondersteunen van het werk van de bibliothecaris. We moesten vijfentwintig jaargangen van een architectuurtijdschrift naar keuze doorworstelen. Ieder artikel diende in de computer te worden ingevoerd en voorzien van een reeks zoektermen, zeg maar thema’s. Ik koos voor het Bouwkundig Weekblad, jaargang 1945 tot 1970.
In de jaargang 1955 ontdekte ik een bijzonder artikel van architect. J. Sluiter. Sluiter beschreef hierin zijn eigen uitbreiding en verbouwing van het hoofdkantoor van Ten Cate in Almelo, een oorspronkelijk ontwerp van Van den Broek en Bakema, dat, aldus Sluiter, “door de te sterke plastiek van het raatwerk het plafond een enigszins onrustig karakter had verkregen”. En dat het “voor de architecten zelf een verademing was, om naast staal en glas ook eens natuurlijke materialen te mogen gebruiken”. In de recensie beschreef Sluiter ook met welke opdracht Van den Broek en Bakema van start waren gegaan, hoe de opdrachtgever had gecommuniceerd, wat er goed gelukt was aan het ontwerp en waar het eigenlijk nog wel wat beter had gekund. Het was mijn eerste echte kennismaking met een bijzondere, maar zeker niet unieke vorm van architectuurkritiek: oprecht, vakkundig en met een gepaste dosis zelfreflectie.
Geraakt door het artikel vroeg ik mij af of Jo Coenen, zittend op hetzelfde plekje waar ik het Bouwkundig Weekblad uitploos, misschien ook zou hebben opgemerkt dat de installaties en het gebouw net zo veel met elkaar te maken hadden als een kip met een walvis. Laat ik zeggen dat we iedere wc-boodschap van de NAi medewerkers in de drie bovenliggende kantoorverdiepingen op ongeveer 1,5 meter hoogte boven onze hoofden in een zilverkleurig glimmend glijbaancircuit langs hoorden roetsjen.
En zo ja, had hij het dan aangedurfd om, net als Sluiter, een dergelijk euvel als een verbeterpuntje aan te merken in een zelfgeschreven kritiek, gepubliceerd in een gerenommeerd tijdschrift?
Maar goed, Coenen schreef er niet over, of hij het nu gedurfd had of niet. Sterker nog, al snel ontdekte ik dat hij en veel van zijn generatiegenoten eigenlijk alleen schetsten. En eigenlijk is daar sinds 1993 niets aan veranderd. Ook nu is een schrijvende architect een zeldzaamheid. Je zou je haast afvragen of architecten van het ene op het andere moment, ergens in de loop van de jaren zeventig van de vorige eeuw, en-masse analfabeet zijn geworden…
Dat is jammer, want op het moment dat architecten hun pen verliezen, verdwijnt ook (een deel van) hun stem en komt een zeer belanghebbend deel van het vak in de verdrukking: de eerdergenoemde zelfreflectie.
En de architectuurkritiek? Die is, voor wat het nog waard is, inmiddels overgenomen door auteurs die er hun brood mee verdienen. Professionele schrijvers dus; geen architecten. Het moment is zelfs daar dat veel architectenbureaus niemand meer in hun team hebben die vaardig genoeg is om de eigen projectteksten te schrijven. Ook op architectuuropleidingen is er weinig tot geen aandacht voor het geschreven woord. Een treurige constatering. Schrijven over het eigen werk kon amper twee decennia terug niet los worden gezien van de uitoefening van het architectenvak. Schrijven betekende terugkijken, je werk plaatsen ten opzichte van het werk van vakgenoten en het formuleren van verbeterpunten. Allemaal node gemist momenteel.
Dus architecten, grabbel in je bureaulade of in die van een collega en pak de pen weer op! Overwin je angst voor de oprechte mening van je collega’s, de angst voor kritiek op je eigen werk en schrijf!

Bregit Jansen is oud-projectleider van Platform GRAS. Tegenwoordig is zij werkzaam als onderzoeker bij de Woningcorporatie Haag Wonen te ‘s Gravenhage.

november 22, 2006
By on 12:53

In/op deze debatbrief biedt Platform GRAS mensen met een mening over (actuele) ruimtelijke ontwikkelingen in en om de stad Groningen een digitaal podium. Als hun scherpe betogen, opiniërende bijdragen, kritische geluiden en stellingnames schreeuwen om respons, bent u op deze pagina van harte uitgenodigd om te reageren en het debat aan te gaan. Zo wil de Debatbrief het debat over de ruimtelijke ontwikkeling van Groningen van een nieuwe impuls voorzien. Heeft u zelf een idee voor een Debatbrief of is er een onderwerp waar u een scherpe mening over heeft? Schroom dan niet en stuur uw Debatbrief, maximaal 500 woorden groot, naar dit adres

november 15, 2006
By on 01:04
Het nieuwe Lokaal Akkoord: spelers gevraagd!

Tijdens het afgelopen WK voetbal speelde het Nederlands elftal tegen Portugal. Gedenkwaardig was het aantal gele kaarten dat scheidsrechter Ivanov uitdeelde: veertien stuks. Enkele creatieve geesten bedachten daarop een T-shirt, gebaseerd op het tourshirt van een rockband. Achterop, op de plek waar normaal de speelsteden staan, stonden de namen van alle spelers die een gele kaart kregen én de minuten waarin deze kaarten vielen. Ik heb het shirt onmiddellijk besteld. Ik zie in het hele gebeuren een fraaie metafoor voor de ontwikkelingen in onze maatschappij, waarin scheidsrechters in allerlei verschijningsvormen een steeds grotere rol spelen en de spelers steeds minder centraal lijken te staan. Ook in de huidige samenleving bepalen steeds vaker ‘het systeem‘ en ‘de regels’ de gang van zaken, en niet de creativiteit van de individuele spelers. Daar wordt een voetbalwedstrijd niet mooier van en de maatschappij al helemaal niet.

Ik idealiseer even het verleden. Het mag niet van Annie Tak, ereburger van deze stad en naamgever van het Annie Tak Leefbaarheidfonds, maar ik doe het toch….

Vroeger was de woningcorporatie puur een uitvoeringsorganisatie. Wij bouwden en beheerden huurwoningen. We bouwden op grond die we van de gemeente mochten kopen, met subsidies van het rijk. De gemeente koos de stedenbouwkundige én de architect. De woningen werden, wanneer ze voltooid waren, door de gemeente toegewezen. De woningbouwvereniging beheerde vervolgens de wijk. Woningbouwvereniging Groningen deed dat bijvoorbeeld met de Oosterparkwijk. Als daar iets ging gebeuren, zorgden de bewoners via de vereniging dat het ging zoals zij wilden. Wanneer dat niet lukte, waren de lijnen van de wijkbewoners via PvdA en CPN naar het Stadhuis buitengewoon kort. Dan belde de wethouder even met de corporatiedirecteur. Kortom, de corporatie was een speler in een team van elf: een waterdrager op het middenveld.
Tegenwoordig zijn woningcorporaties geen verenigingen meer maar meestal stichtingen. We zijn bestuurlijk en financieel onafhankelijk geworden. Het rijk heeft geen geld meer, de gemeente heeft geen grond meer. Daarmee zijn de mogelijkheden tot sturing door deze democratisch gekozen instanties sterk afgenomen. De betrokkenheid van burgers bij de corporatie en bij de politiek is afgenomen; een maatschappelijke trend die natuurlijk veel breder is dan de volkshuisvesting of Groningen alleen. Desondanks, of juist daardoor, blijf ik veel respect en waardering houden voor de rol van bewonersorganisaties, vooral in de wijkvernieuwing. Hetzelfde geldt voor de inhoudelijke kwaliteit van het gemeentelijk apparaat, als het gaat over de ruimtelijke ordening. Maar toch: het aantal spelers in het veld neemt af. De corporatie is een spelbepaler geworden in een team van vijf.
Aan de andere kant wordt er steeds meer van corporaties verwacht en breidt het takenpakket zich steeds verder uit. We verkopen huurwoningen en bouwen koopwoningen. We knappen winkelcentra en scholen op. We bemiddelen in zorg. We openen buurtpanden. We hebben buurtconciërges en betalen een opbouwwerker. Ons speelveld wordt dus steeds groter. Ondertussen constateer ik een onbehaaglijk groeiende discrepantie tussen de toenemende invloed van de woningcorporatie op het leven van heel veel mensen in de stad en een afkalvende democratische legitimiteit daarvan. Ook dit is overigens een veel breder maatschappelijk verschijnsel. De overheid privatiseert in veel sectoren: van onderwijs tot openbaar vervoer en van zorg tot volkshuisvesting. Zelf speelt de overheid nauwelijks meer mee, ze stuurt alleen, of doet daar een poging toe. Want de sturing wordt namelijk niet aan de markt overgelaten. Het gevolg is een lawine aan extra regelgeving en bijbehorende toezichthouders en scheidsrechters. Vervolgens wordt er niet alleen toezicht gehouden op het spel, ook wordt er gestuurd op de output. De overheidsscheidsrechters vinden ook iets van het proces, van de shirtjes, van hoe, wanneer en waar er gespeeld wordt. Een heilloze weg, kijk maar naar Nederland – Portugal. Wij hebben geen behoefte aan meer scheidsrechters, maar aan meer spelers. Spelers met initiatief en geniale invallen!
Wat wij zélf kunnen doen tegen de Haagse regelzucht en toezichtdrift is er voor te zorgen dat wij als woningcorporaties met beide benen geworteld zijn (en blijven) in onze stad. We moeten echt van de stad en van onze bewoners zijn. In de intentieovereenkomst voor het nieuwe Lokaal Akkoord, het document waarin de gemeente Groningen en de Groninger corporaties hun onderlinge afspraken vastleggen, zijn dan ook duidelijke uitspraken gedaan om meer te gaan werken vanuit het idioom ‘Vertrouwen in de Buurt’. Toch zal het nog een hele kluif worden om dit daadwerkelijk te laten lukken. Daar hebben we namelijk absoluut ook de bewoners van de stad, de wijk en de buurt voor nodig. Wij als woningcorporaties hebben de bal en we willen hem graag afspelen. Wie doet er mee?

Pieter Bregman, Algemeen directeur/bestuurder woningcorporatie Nijestee

augustus 2, 2006
By on 08:59
Waar zijn de jonge architecten gebleven?

Ruim twintig jaar geleden oreerde een jonge Jurjen van der Meer dat het met de Groninger architectuur maar bar en boos gesteld was. Een rotzooi, dat was het. Het werd hoog tijd dat gevestigde bureaus als Olsmeijer en Martini, die hun sporen vooral na de oorlog hadden verdiend, plaats maakten voor vers bloed. Van der Meers opmerkingen waren niet aan dovemansoren gericht. Ypke Gietema, de toenmalige wethouder van ruimtelijke ordening, kaatste de bal terug: “Laat dan maar zien dat je het beter kunt”. En zo kreeg Jurjen van der Meer, samen met zijn compagnon Ton Karelse, in 1984 de opdracht voor de bouw van een serie studentenwoningen aan de Uurwerkersgang. Een jaar later werd het bureau Karelse van der Meer opgericht, het huidige De Zwarte Hond.
Dit moment is exemplarisch voor de omslag in het denken over architectuur in Groningen die ergens midden jaren ’80 van de vorige eeuw plaatshad. Architectuur kwam nadrukkelijk op de agenda te staan. Dat zorgde voor een enorme stimulans voor het Groninger architectuurklimaat. Nieuwe succesvolle bureaus dienden zich aan waaronder Karelse van der Meer, AAS Architecten en, zij het wat later, inmiddels bekende namen als Onix, SKETS en MAD. En daarna werd het stil…, een paar hoopvolle initiatieven daargelaten.

Natuurlijk is de huidige situatie onvergelijkbaar met die van midden jaren ’80 van de vorige eeuw. Het is onmogelijk te stellen dat de gevestigde bureaus van nu ‘rotzooi’ afleveren, in tegendeel zelfs. Maar is het ondertussen niet ook heel jammer dat er geen nieuw talent boven komt drijven; talent dat het aandurft om voor zichzelf te beginnen? Eigenlijk is dat zelfs heel on-Gronings. Groningen is altijd een goede voedingsbodem geweest voor jong talent. Nog steeds staan we nationaal en internationaal op de kaart met onze architectuur. We beschikken met de Academie van Bouwkunst, de universiteit en de HTS over een perfecte basis. En dan hebben we het nog niet eens over de opdrachtgevers in de stad, en dan met name de woningcorporaties waar we echt wel een beetje trots op mogen zijn. Toch wil het maar niet lukken met de jonge bureaus. Het gebrek aan startende bureaus wordt helemaal wonderlijk als je het afzet tegen ontwikkelingen elders in het land. Neem bijvoorbeeld een stad als Den Haag of Rotterdam: daar schieten de jonge bureaus de laatste jaren als paddestoelen uit de grond.
Maar waar komt het door? Natuurlijk kiezen opdrachtgevers, zo ook Groninger opdrachtgevers, makkelijker voor zekerheid en ervaring. Die zekerheid is bij gevestigde bureaus gewoonweg groter dan bij een beginnend jong bureau. Anderzijds zit de Europese regelgeving in de weg. Als je tegenwoordig een school wilt bouwen, dan moet je als architect aan kunnen tonen dat je daar ervaring mee hebt. Daarnaast is de overheid tegenwoordig niet meer in de positie om een omslag te bewerkstelligen zoals die in het midden van de jaren ’80 van de vorige eeuw. Toch zijn dit allemaal problemen waar men in Rotterdam en Den Haag ook mee te maken heeft. Ligt het dan aan de jonge Groninger architecten zelf? Is er een gebrek aan ondernemingslust? Kiezen ze liever voor de veiligheid van een gevestigd bureau? Kortom: durven ze het risico niet aan? Het lijkt er sterk op….
Opdrachtgevers zouden zich natuurlijk nog meer kunnen inspannen om, naast de gevestigde bureaus, ook jong talent een kans te geven. Dat kan bijvoorbeeld via prijsvragen en meervoudige opdrachten. We zijn het immers aan onze stand verplicht om ook opdrachten te verlenen aan architecten die nog nooit hebben gebouwd. Dat is niet alleen spannend, ook is het van groot belang voor de toekomst van het Groninger architectuurklimaat. Wat dat betreft zal de stad zich dan ook blijven inspannen om jonge, beginnende architecten op weg te helpen. Maar aan het gebrek aan durf bij jonge Groninger architecten kunnen de opdrachtgevers natuurlijk weinig doen. Dat ligt echt bij henzelf. Laat dit dan ook een oproep zijn voor al het jonge talent in de stad: maak je kenbaar en laat zien wat je kan!


Niek Verdonk, Stadsbouwmeester gemeente Groningen

juli 6, 2006
By on 08:44